• about this site
  • links
  • fantom
  • antonykok.nl
  • fleursdumal.nl
  •        HOME  


    Jef van Kempen: 5 Gedichten

    J e f   v a n   K e m p e n

    V i j f   g e d i c h t e n

     

    Intensive care

     

    In deze betonnen duisternis weigert

    hij te ontwaken. Het is de dood die

    loert en dreigt. In een flits verpletterd,

    in dat ene ogenblik teveel,

     

    om precies te zijn: gebroken glas

    in zacht vlees, verminkte huid,

    geblakerd, afgerukt, met harde hand

    ontvreemd in een lieflijk mijnenveld.

     

    Rest alleen: het licht dat als een

    wit vlies aan de muren hangt, geluid

    dat gaten maakt in zijn hoofd, de geur

    van rottend bloed, opgeruimde kamers.

     

    Ongeboren was hij op zijn best,

    maar ontdaan van alle alledaagsheid,

    van alle onberekenbare motieven,

    wist hij nog hoe hij ooit

     

    onder haar rok keek

    en bladerde tussen haar benen

    en dat alleen een vrolijke gek

    de hemel zal zien.

     

     

    Onzichtbaar

     

    Soms sprak zij van

    alle planten van de wereld

    die ondergronds verbonden zijn

    door middel van onzichtbare draden

    en die door chemische stoffen in staat

    van seksuele opwinding geraken om daarna

    weer snel te bezwijken bij de geringste

    tegenslag en dat dit alles een geheim

    is dat door god en de heiland en

    anderen wordt bewaard.

    Zo sprak zij dan.

    Ik luisterde.

     

     

    De afvallige

     

    Onbaatzuchtig is de voorzienigheid voor

    wie probeert de tekenen des tijds te verstaan.

     

    Uit zijn mond kwam enkel de klank van matigheid

    en eenvoud van geest voorkwam dat minder

     

    aangename eigenschappen de overhand

    kregen. De smaak van wijn of het verwekken

     

    van een kind, alles was genotvoller dan de

    beheersing van het woord.

     

    Mooi zijn vooral de uit het hart opgetekende

    verhalen waarbij hij (na terloops stenen in

     

    brood te hebben veranderd) zijn mond

    liet getuigen van hoe hij bij herhaling

     

    op de proef was gesteld

    maar nooit ofte nimmer koos voor

     

    het minder goede.

    Zo gaat een leven voorbij,

     

    on-ontaard,

    schijnbaar onaangeraakt,

     

    maar vooral onaantastbaar,

    als de zon aan de horizon.

     

     

    Sluis 3

     

    Hoog in de lucht drijft een schip

    tussen eikenhouten deuren.

    Roerloos als de reiger wacht

    de visser op zijn prooi,

    staart met koele blik

    in het zwarte water van

    de waterval.

    Zijn vrouw wast

    -keer op keer-

    zijn auto blinkend blauw

    en wit en blauw.

    Aan het hek spuwen

    oude mannen gal,

    vertellen duizend en één

    verhalen over het leven

    en over de dood

    (voor zover van belang).

     

    Geruisloos waait een meisje

    voorbij,

    helling op, helling af, verdwijnt,

    met fiets en al, achter een muur

    van populieren

    (komt zij ooit terug?)

     

    Een late hond likt het asfalt

    terwijl zijn baas de sterren zoekt.

    Ver weg huilt een kind wanhopig

    om de moeder

    (komt zij ooit terug?)

     

    Dan slaat hij toe

    -oog om oog, tand om tand-

    doodt opgewekt zijn prooi.

    Hoog in de lucht drijft een schip

    tussen eikenhouten deuren.

    De schipper, roerloos op de brug,

    ziet de visser bij de waterval

    en achter hem weet hij de doden,

    zij aan zij, steen na steen.

     

    Het wachten is op de nacht

    (die altijd komt).

     

     

    De held

     

    Nog een kind droomde ik een groot minnaar

    te worden. Het lot had bepaald dat ik een bron

     

    van liefde en lust werd en terwijl iedere vorm

    van verdorvenheid, van ontucht, mij vreemd was,

     

    bedreef ik met ware doodsverachting de liefde.

    Mijn dapperheid werd alom geroemd.

     

    Eeuwenlang was mijn lichaam een lust voor het oog.

    Dag in dag uit, jaar in jaar uit, bracht ik vals en

     

    vlug, zonder pijn, zonder omzien naar de wereld,

    onzichtbaar tussen droom en daad, mijn veeleisende

     

    bruiden geluk.

    Ook al was ik een toonbeeld van zelfbeheersing: mijn

     

    nooit aflatende inzet zou mijn arme hart meer en meer

    bedrukken. Totdat mij geen andere weg bleef dan mij te

     

    schikken naar de nukken van mijn laatste metgezel:

    mijn onovertroffen innerlijke schoonheid.

     

    Jef van Kempen (1948) publiceerde poëzie, biografische artikelen, essays en literaire bloemlezingen. Daarnaast is hij actief als beeldend kunstenaar. Jef van Kempen is medeoprichter en redacteur van o.a. de poëziewebsite: KEMP=MAG – kempis poetry magazine ( www.kempis.nl ) en van de website Antony Kok Magazine ( www. antonykok.nl ) In 1966 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel: Wiet. In 2010 verschijnt een verzamelbundel met gedichten en illustraties: Laatste bedrijf, gedichten 1963-2009 bij uitgeverij Art Brut, Postbus 117, 5120 AC Rijen, ISBN: 978-90-76326-04-7.

    m u s e u m   o f   l o s t   c o n c e p t s

    Museum of Lost Concepts | 3:30 pm | januari 16, 2010 | Kempen, Jef van

    Previous and Next Entry

    « | »

    MUSEUM OF LOST CONCEPTS